16e eeuw

1500-1600:

A. De Reformatie – Menno Simons
B. Watersnood

A. De Reformatie – Menno Simons

Het oudste schriftelijke stuk voor belang van de Pingjumer Halsband is het op 1 april 1504 opgetekende dijkrecht van Pingjum, opgesteld door enkele aanzienlijken in samenspraak met de priesters in het dorp. Het stuk vermeldt voorschriften en bevat boetebepalingen.

Bij een parochiekerk hoort in de middeleeuwen een pastoor. Pingjum heeft er ook één, maar bovendien een vicaris en volgens sommige schrijvers zelfs twee tot vier prebendarissen. Aan geestelijken geen gebrek. Nu telt de 75.000 grote Friese bevolking in 1521 dan ook méér dan 2.000 reguliere geestelijken en ca. 50 kloosterinstellingen; dat is een groter aantal dan elders in de Noordelijke Nederlanden. Eén van de vicarissen, die in 1524 aantreedt, is Menno Simons (zie afbeelding 7).

afb. 7: Menno Simons
afb. 7: Menno Simons. Links: archief J.J. Sieswerda

Menno Simons (1496-1561) is geboren in Witmarsum. Zijn vader komt uit Pingjum: “myns Vaders dorp Pinningum genaemt”. De Registers van den Aanbreng IV uit 1546 vermelden:

“een Joucke en Lieuwe Sijmonzoon, naast een Jan, een Jacob, een Ysbrandt en een Gercke Sijmenzoon. Er wordt steeds verondersteld, dat Menno Simons ‘út boerelaech’ was. Dat kon ook bijna moeilijk anders in die tijd, al woonden er in Pingjum ook enkele ambachtslieden. Maar er is meer. Gaan we namelijk de Pingjumer Sijmonzoons uit 1546 na, dan zijn dat allen landgebruikers. Lieuwe Sijmonzoon staat zelfs voor 105 pondemaat genoteerd, Jacob voor ruim 47, terwijl Jan Sijmonzoon samen met een ander ruim 135 ‘beboert’. Het is natuurlijk niet gezegd, dat zij allen broers waren van Menno; er kunnen ook neven onder schuilen. Maar als Menno Pingjum het dorp van zijn vader noemt, kan het niet anders, of deze moet van bovengenoemde landerijen er meer of minder hebben bezeten. En dan is er nog iets. Waarom wordt Menno eerst vicaris in Pingjum en later pastoor in Witmarsum? Spelen hier oude dorpsrelaties een rol? In 1546 heeft Jan Sijmonzoon land ‘de Vicarie te Pingjum toecomende’ in huur. Natuurlijk vormt het bovenstaande geen bewijs, maar het geeft wel aanleiding tot de veronderstelling, dat de vader van Menno Simons een Pingjumer boer was. Waarom Menno toch in Witmarsum geboren is? Hiervoor zou men kunnen wijzen op de oorlogsellende, die juist omstreeks 1496 ook Pingjum zo teisterde.” 1

Als in december 1524 een plakkaat aan de Pingjumer kerk het bevel uitvaardigt dat alle ketterse geschriften moeten worden ingeleverd, weigert de aangaande de leer van de mis en aan de kinderdoop twijfelende Menno, die via een colporteur reeds in het bezit is van een Nieuw Testament en een boekje van Luther:

“Mij viel een gedachte voor, soo menichmaal ick met den Broode en den Wijn in der Missen handelde, dat het niet des Heren vleesch en bloedt ware … Ick ondersocht de Schrift met vlijdt maar konde van den Kinderdoop geen bericht vinden.” Over de aanvaarding van zijn ambt zal hij later schrijven: ”Het is geschiet anno 1524 mijns ouderdom 28 jaaren, dat ick mij in mijn Vaders dorp Peeninghum in der Papen dienst begeven hadde”. 2

Menno heeft het in Pingjum niet zwaar. De geestelijken kunnen het er wel af en nu en dan gaat het er in de pastorie heel vrolijk toe. De pastoor is een man die niet tilt “oan it swiere ein fan de balke”. 3 Menno Simons is gezien en zijn preken vallen er wel in. Zelf schreef hij: ”Ik was een prins in Babel, ieder zocht en begeerde mij, de wereld beminde mij en ik de wereld. Eerbiedig was mij alle man. Mijn woord triomfeerde in alle zaken.” Over zijn uiterlijk wordt gezegd: ”Hij was een dyck, vet, swaer man, briecht van aengesicht und eynen bruyen baerdt, konde niet waell gaen.” Hij tekent zich later: Menno Symons de Creupele. 4

In 1531 vinden we hem terug als pastoor in het nabije Witmarsum, waar het op 31 januari 1536 tot de breuk komt en hij “ongedrongen uit het pausdom” uittreedt uit de kerk. Eerst na 1540 komt hij met zijn hervormingsideeën meer op de voorgrond met o.a. het belangrijke “Fundament des christelijcken Leers”. 5 De reactie van de roomse Habsburgse overheid op de veranderingen in de geloofsbeleving laat niet op zich wachten, door het instellen van de Inquisitie: boekverbranding, ketterplakkaten, vervolging en executie van geloofsafvalligen.

Aan het einde van de 16e eeuw bestaat de Friese bevolking voor 20-25% uit mennonieten en zal de geest van de in het begin van deze eeuw in Pingjum predikende vicaris voorgoed rond blijven waren. Zijn talrijke volgelingen uit vele windstreken en van alle continenten brengen nog steeds een bezoek aan het achter een onopvallende gevel van een woning schuilgaande doopsgezinde kerkje, de Fermanje (zie afbeelding 7a, fotograaf: J.J. Sieswerda), dat in 1600 is gebouwd. De stichting van de doopsgezinde gebouwen dateert in het algemeen van ná 1580. De principes van de Mennisten zijn eenvoud, vermijding van pracht en praal en geen deelname aan bestuur van stad en land. De wetgeving staat de bouw van kerkgebouwen toe, mits de kerkjes niet vanuit de publieke straten en stegen te zien en slechts via een smalle steeg bereikbaar zijn. Karatkeristiek is het achter-af-bouwen en eenvoudige interieur. 6

afb 7a: doopsgezinde Fermanje
afb. 7a: doopsgezinde Fermanje, Pingjum (2015)

We hebben weinig aanknopingspunten uit de eerste helft van de 16e eeuw over de aanblik van Pingjum – of zoals het in die dagen nog vaak wordt genoemd, Penjum en Pingum – want uit de zestiende eeuw zijn geen kaarten en geen dorpsgezichten en –beschrijvingen bekend. Slechts enkele aanknopingspunten leveren de Beneficiaalboeken (1543) en het Register van den Aanbreng (1546) op, aangevuld met wat gegevens uit een enkele kroniek. Naar de kerk heten de huizen in de kern ‘die kerckbueren’ en een weg naar het godshuis wordt ‘de kerckwech’ genoemd. En er zijn meer wegen: op zijn oud-Friesch wordt er een de ‘ghaelaen’ genoemd, een andere keer verduidelijkt tot ‘gae- ofte dorpslaan’. Verder wordt er gesproken van ‘die riedwech’ of ‘de olde rijdwech’, waarop dus blijkbaar gereden kan worden, in tegenstelling tot ‘de wech ofte cleen drifte nae Beckumma fennen’: een weg, waarlangs de koeien worden gedreven. Met de omringende dorpen is het verkeer mogelijk door ‘die heerenwech’. De boeren rond Pingjum hebben een gemengd bedrijf, want er is sprake van hooiland en bouw. Ook de pastoor gebruikt in 1543 een complex landerijen, waarvan vermeld wordt dat “sommige koegangen in den Groote fenne ende sommige stucken zaedtlandt (= bouwland)” wel bij de pastorie behoren, maar een andere huurder hebben.

De kleine laatmiddeleeuwse samenleving van Pingjum bestaat uit boeren in het veld (Repckama, Aggama, Hiddama, Siouckama, Hanije, Andla, Waltinga, Brijontsma, Gratinga, Bonga) naast velen die zich eenvoudig Tiaerdt Sipkes noemen of hun woonplaats vermelden: Pieter in den Nes, Johan Dicxherne en enkele dorpelingen (Jacob Smit, Albert Coster, Jan Cremer, Maaerten Scroer) in een nog weinig gedifferentieerde dorpskern rond kerk-en-toren is middelpunt van alles. Voorts ook de stinsen Hania, Aggema, Hiddema en Adelen.

In 1546 vinden we in Pingjum bovendien een punt dat veelbetekenend een ‘old bolwerck’ wordt genoemd. Over dat bolwerk lichten zowel Worp als Petrus van Thabor ons in en zo weten wij, dat het hier gaat om een wal van zoden met een gracht die het huis omringt van Seerp(Sywrd) Lywazoon “hou(v)elinc te Peningum opt bolwerck”, welke stinsbewoner de familienaam Beyem draagt. Dit bolwerk is herhaaldelijk het middelpunt geweest van felle gevechten, zoals Pingjum als geheel van de tachtiger jaren der 15e eeuw tot 1515 bij herhaling oorlogstoneel is geweest. 7

Een beklemmende reportage van zo’n stuk burgerkrijg geeft Worp van Thabor. Begin maart 1498 – dus vlak voor hertog Albrecht hier zijn gezag weet te vestigen in Friesland – belegeren de ‘knechten’ of soldaten van de Vetkoper hoofdeling Tierck Walta uit Tjerkwerd de stins van de Schieringer edelman Sybeth Taedez (Thadema) in Pingjum. Veel van de rijkste boeren uit de omgeving hebben zich daarop teruggetrokken, uit angst voor de knechten. De knechten worden hierdoor zo boos, dat zij de stins bestormen. Hoewel de gracht droog is, lukt het hen aanvankelijk niet het huis in te nemen. Want, de stins heeft dikke muren en ijzeren deuren. Bovendien worden er vanaf de stins stenen naar beneden geworpen. De knechten plaatsen nu een houten afdak tegen het huis, waar zij onder kunnen schuilen. Hierdoor zijn zij in staat een gat in een dichtgemetseld venster te slaan. Daarachter is een bedstee. Door het daarin aanwezige stro in brand te steken, zetten zij het hele huis in vuur en vlam. De mensen in de stins willen zich nu overgeven, maar het is al te laat. De volwassenen verbranden voor een part, terwijl anderen op de vlucht voor het vuur naar beneden springen. De knechten vangen hun op met hun hellebaarden en spiezen en slaan hen voor de stins dood, voor zover ze dat nog niet zijn.

Worp schrijft:

“Als sy dan saegen, dat sy steru(v)en mosten, ende datter gheen genaede noch barmherticheit was, soe lieten sy die kynderen bou(v)en vant huys met touu(w)en ende bonden huer veel silu(v)eren riemen off gordelen om, op dat die knechten(soldaten) dat silu(v)er solden nemen, ende laeten die kynderen leu(v)en;als sy deeden.” 8

De roomse priester Johannes Jetzes moet vanwege zijn hervormde gevoelens Pingjum in 1567 ontvluchten. 9 Er ontstaat onrust onder de lagere en middelgrote adel, die in november 1565 het initiatief nemen tot het Verbond der Edelen. 10 Het is een beweging van protestantse en crypto-protestanse edelen, die godsdienstvrede nastreven. Het verbond wordt getekend door de Pingjumer Alef van Aggema, de bewoner van het door grootvader Alef in het begin van de 15e eeuw gebouwde en in 1715 63 pondemaat en 10 einzen bemeten Aggema-slot. Het komt hem duur te staan. Hij wordt verbannen met verbeurdverklaring van zijn goederen.

Op 5 april 1566 komen zo’n 200 edelen uit vele delen van de Lage Landen onder leiding van Hendrik van Brederode bijeen, verschaffen zich toegang tot de landvoogdes Margaretha van Parma – een onwettige halfzuster van koning Filips II – en bieden haar het Smeekschrift der Edelen aan, dat een felle afwijzing bevat van de Inquisitie en een verhulde dreiging met gewapende opstand als dit wordt geweigerd. Even later begint de Beeldenstorm, het startschot van de 80-jarige onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje.

B. Watersnood

Op 1 november 1570 steekt een orkaan op uit het noordwesten, gevolgd door springtij bij nieuwe maan. In het kustgebied tussen Vlaanderen en Duitsland breken op talrijke plaatsen de zeedijken door. De Allerheiligenvloed maakt van Friesland één woeste zee. Men kan zonder bezwaar rechtuit, rechtaan van Lemmer naar Sneek varen. Er staat 10 tot 12 voet water op het land, reikend tot de poorten van Leeuwarden en Sneek.

Schepen slaan met lading en bemanning over de zeedijk, in Sneek drijft een wieg aan met levend kind en een kat. Er verdrinken in Friesland 2892 mensen. Er is enorm materieel verlies aan boerderijen, huizen, vee, graan en levensmiddelen. Het gevolg is schaarste, stijgende prijzen en hongersnood. De Vijfdeelendijk – lopend van het Bildt langs Harlingen tot aan Makkum – verwaarloosd en vervallen, is het zwaarst getroffen. Door de talloze gaten ligt het land open voor de zee; een nieuwe overstroming in 1573 is het gevolg. Opnieuw gaan veel veldgewassen verloren. In de winter die hierop volgt is het water in de grachten van Leeuwarden nóg zout. Na deze laatste vloed vormt de Spaanse Stadhouder Caspar di Robles een commissie. Alva legt de binnen/buiten Slachtedijkers Fl 260.000,- en de dijkloze gemeenten Fl 40.000,- schatting op.

Op 7 augustus 1573 wordt bij besluit gesteld, dat de zeedijk tussen Dijkshoek en Makkum gemaakt en onderhouden zal worden door zowel de buiten- als de binnen(Slachte)dijkers. De eersten het vak beneden Harlingen, de tweeden het vak daarboven. Deze uitspraak wordt door Alva in naam des Konings op 4 september goedgekeurd en afgekondigd. Friesland en Groningen worden tegelijkertijd ontslagen van schattingen voor de legering van Spaanse troepen gedurende één jaar. De verzwaarde en plaatselijk nieuwe dijk van vijf uur gaans krijgt een hoogte van 12 voet met een kruin van 6 voet. Het beloop aan de zeezijde is 5 roede, aan de landzijde 3 roede. Het werk is verdeeld in 11 percelen, met 300 man per perceel – waaronder de naaste bewoners – onder opzicht van een kapitein, een opzichter of schrijver en 12 rotmeesters. Er wordt hard gewerkt van ’s morgens 5 tot ’s avonds 6 uur met 2½ uur door het uitsteken van een vaandel uit de toren van Harlingen aangegeven schaft.

Ter bevordering van orde en gezag zijn er strenge bepalingen van toepassing. Ten zuiden van Harlingen is een galg op de dijk geplaatst voor de niet-werkwilligen. In de zomer van 1575 is de imposante zeedijk voltooid. 11 Een gedenkteken met een Januskop van di Robles (‘de Stenen Man’) verrijst ten zuiden van Harlingen, als grenspaal tussen de beide perken van onderhoud. De Halsbân is als zeewering voorlopig in de tweede linie komen te liggen.

In 1580 wordt de katholieke eredienst verboden; het Pausdom wordt afgeschaft. De eerste die in Pingjum het ambt predikant gaat bekleden is Durandus Piërii en nog geruime tijd ook, want hij staat er in het jaar 1600 nog, eer hem pas wegens ‘hoogen ouderdom’ en onbekwaamheid in 1609 emeritaat wordt verleend. 12

In 1583 wordt de toren vernield en de kerk zwaar beschadigd door onweer. In 1588 worden voor de herbouw een paar stukken land verkocht. 13

Eind 16e eeuw heeft Pingjum ook een eigen dorpsschool:
* 1597-1610: meester Sybe Fransz.
* 1611-1628: meester Jan Lieuwesz. Piebema
* 1629-1647: meester Abe Gerritz.
* 1648-1659: meester Meilis Epkeszoon
* 1660-1680: meester Baante Cornelis

Voetnoten:

  1. Leeuwarder Courant: Sneon & Snein, d.d. 21.01.1961, Pingjum-Witmarsum, allebei “Menno-dorp”
  2. Spahr v/d Hoek, J.J., Geakunde fan Wûnseradiel, pag. 447
  3. Harlinger Courant d.d. 8-10-1965, Vj 34, Pingjum: dorpje met ’n rijke geschiedenis
  4. Algra, A., De historie gaat door het eigen dorp VI, 1960, pag. 134-135
  5. Brouwer, J.H. e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 469
  6. Hoeve, S. ten, e.a., Kerken in Friesland, gebouwen, inrichting en gebruik, 1985, pag. 150/151
  7. Leeuwarder Courant: Sneon & Snein, Pingjum-Witmarsum, allebei “Menno-dorp”, LC 21 januari 1961
  8. Noomen, P., Vete in middeleeuws Friesland, FRYSLAN (1998), nr. 1, pag. 10
  9. Aa, A.J. v/d, Aardrijkskundige woordenboek, 1848, pag. 187
  10. Israel, Jonathan I., De Republiek 1477-1806, 1996, pag. 154
  11. Eekhoff, W., Beknopte geschiedenis van Friesland, 1851, pag. 184-189
    Ook op andere terreinen van Waterstaat laat di Robles zijn sporen na. In dezelfde jaren dat het dijkenstelsel in Friesland stevig wordt aangepakt, laat hij een kanaal graven tussen het Bergumermeer en de Lauwers, een verbetering van de waterverbinding tussen Leeuwarden en Groningen. Dit ‘Kolonelsdiep’ of Caspar di Roblesdiep – zo als nog altijd wordt genoemd – maakt tegenwoordig onderdeel uit van een doorgaande vaarverbinding die gevormd wordt door het Prinses Margrietkanaal en het Van Starkenborghkanaal.
    Het loopt slecht af met de Zwarte Kolonel. In 1576 wordt hij tijdens een oproer van Spaanse soldaten gevangen genomen en een tijdje achter de tralies gezet. In Friesland is hij niet meer van betekenis geweest, vooral niet toen de provincie de Spaanse koning in 1580 afzweert. In 1585 overlijdt di Robles in Antwerpen.
  12. Algra, A., De historie gaat door het eigen dorp VI, 1960, pag. 136
  13. Spahr v/d Hoek, J.J., Geakunde fan Wûnseradiel, pag. 446

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s