18e eeuw

1700-1800

In het begin van de 18e eeuw is het agrarisch tij – waarvan het levensonderhoud in en derhalve de ontwikkeling van het dorp afhankelijk is – niet gunstig. In 1714 richt een geduchte veepestepidemie veel economische schade aan. De belastingen zijn hoog door de in de vorige eeuwen gevoerde (Engelse) oorlogen. Import van Ierse boter zet de prijzen onder druk. Het is in deze tijd dat de kerktoren van Pingjum een spits heeft, volgens een schets uit 1720 van Stellingwerf (zie afbeelding 8, met dank aan Dhr. H.G. Scheltema).

Kerk anno 1720
afb. 8: kerk Pingjum anno 1720

In 1741 veroorzaakt de strengste winter van de eeuw enkele decennia later andermaal bedrijfsmatige tegenslagen: ”De wind sneed met sulk een scherpigheyt in het aangesicht, dat het ondraaglyk was”. Stenen bruggen scheuren en de waterbakken voor de opvang van regen vriezen kapot. Sloten en meren zijn tot op de bodem bevroren, op de Zuiderzee wordt druk geschaatst. Overal vriezen mensen en dieren dood, de armoede is groot. Pas op 20 maart eindigt deze winter met een “gewisse dooy”. Het voorjaar blijft koud, eerst in juni worden velden en bomen weer groen.

Kort hierna wordt de landbouw in 1745 geconfronteerd met de tweede veepestepidemie. Er sterven aan deze “rotkoorts” in 10 maanden tijd in het gewest 110.000 runderen, exclusief kalveren: voor de veehouderij een financiële strop zonder weerga.

In 1759 wordt de kerk gerestaureerd voor 13.865 gulden, 3 stuivers en 8 penningen na opnieuw verkoop van land en een aanbesteding in 1758; hierbij wordt de oostzijde van de kerk driezijdig gesloten en de zuidzijde ommetseld. De diensten worden tijdens de restauratie in de doopsgezinde Fermanje gehouden. Op een landdag in 1759 worden de tufsteen en leien van de oude kerk verkocht. Een gedenksteen boven de kerkdeur met tekst & de namen van de kerkvoogden H.P. Hilarides en W. Wiarda (zie afbeelding 9. fotograaf: J.J. Sieswerda) getuigt van de herbouw: ”Deese Kerk is van nieuws Herbouwt onder het opzigt van de gecommiteerden welker wapens hiernevens geplaatst zijn”. 1 Beide wapens werden later in de Franse tijd dichtgesmeerd.

gedenksteen restauratie (1759)
afb. 9: gedenksteen restauratie (1759)

Op 30 mei 1768 wordt in Pingjum geboren Obe Sikkes Bangma (1768-1829), met later een indrukwekkende wiskundige carrière:

“1787-1805: leraar kweekschool v/d Zeevaart te Amsterdam; 1804-1817: eerste secretaris en redacteur van de tijdschriften van het Wiskundig Genootschap; 1807: wiskundig Adviseur v/d Hollandse Sociëteit van Levensverzekeringen.” 2

In zijn jeugd ontpopt Obe zich als een bijzonder leergierige knaap en krijgt de naam van ‘skriemerige’ Obe, omdat naast zijn kwaliteiten, zijn onhandigheid op velerlei gebied uit de toon valt en hij derhalve veel geplaagd wordt. In Arum – waar hij bij zijn broer gaat wonen – valt zijn bijnaam nog ongunstiger uit. Men ziet er daar geen been in de begaafde jongen ‘healwize’ Obe te noemen. Hij is alles behalve gek. Bij een examen voor de zeevaartkunde in Amsterdam lost hij twee van de drie vraagstukken, waarvoor hij enige dagen de tijd krijgt, in een handomdraai op, terwijl hij voor het derde vraagstuk meer tijd neemt om de heren examinatoren tenminste enig plezier te gunnen. Spoedig wordt Obe directeur van het stuurmanscollege en examinator van zeelieden. Zelfs Van Speyck, die later liever de lucht inging, wordt door hem geëxamineerd. 3

De tweede helft van de 18e eeuw is voor de landbouw over het algemeen een opgaande tijd. De bevolking in veel landen neemt toe, de prijzen van landbouwproducten stijgen navenant; de uitvoer van Friese boter neemt toe. Door de zevenjarige oorlog (1756-1763) stijgen de prijzen nog meer. Er is weer geld om nieuw vee te kopen na een derde runderpestgolf. Ook de pachten stijgen. Met indijking, inpoldering van laagland en verbetering van het grasland door te greppelen. Er is betere bemesting. Het leidt tot het kunnen houden van meer vee. De uitvoer van runderen naar Holland bedraagt op jaarbasis 30.000 stuks. De waarde van een rund is 30 carolusgulden (= 20 stuivers).

De expansie van de veefokkerij blijft beperkt door de minder goede behandeling van de weilanden en het lage aantal inpolderingen. Voorts is er naar verhouding te weinig grasland naast te veel akkerbouw door de voorafgaande veepestepidemieën. Verder wordt op de klei in tegenstelling tot in de Friese Wouden slechts na veel moeite op brede akkers geploegd om er daarna met mest en klaver goed weiland van te maken. 4 In de akkerbouw bevordert de aardappel – en chigoreiteelt de welvaart en de investeringen. In de 18e eeuw zijn de algemene gewassen: tarwe, rogge, zomer- en wintergerst, haver, koolzaad, erwten en bonen. Nieuw is de aardappel – voor het eerst in 1734 op het bruiloftsbanket van prins Willem IV en prinses Anna – vanaf de veertiger jaren ook volksvoedsel, met als voordeel vruchtwisseling en minder armoede onder de arbeiders.

De kerk in Pingjum bevat aanvankelijk beelden en kreeg een gebrandschilderd raam (zie afbeelding 10), een geschenk van Ernst van Wydenbrugh, lid van de ‘Friese Admiraliteit’ en zijn vrouw Louise van Wydenbrugh geboren Assenborch; en het echtpaar Tjepke Gratama. Op het Prentenkabinet van het Fries Museum in Leeuwarden bevindt zich de afbeelding van dit raam dat in de zuidzijde van de kerk heeft gezeten met het jaartal 1769 en de inscriptie:
Den W.E.G. heer Ernst van Wydenbrugh, Raad van ’t Edelmogende College ter Admiraliteit van Friesland, mitsgaders Gecommiteerde Staat van Friesland en wegens de Staat van Gemelde Provincie Gecommiteerde tot Demonstrering en de WelEdel Geboren Vrouwe van Wydenbrugh, gebooren Assenborch. Tjepke Gratama, Coopman en Henderina Donker, Egtelieden tot Harlingen 1769.

Kerkraam Pingjum
afb. 10: kerkraam Pingjum (1769)

Er bestaat in Pingjum een dijkinstructie uit 1774. Hierin wordt niet meer gesproken van een tollegrietman en tollen zoals in 1504. Er is wel een dijkgraaf, bijgestaan door twee gedeputeerden, drie gecommitteerden en een schrijver. De verkiezing vindt plaats op Paasmaandag in de Pingjumer kerk. Vier van de zes leden van het college voor de Halsband horen uit Pingjum te komen en twee uit Witmarsum. De dijkgraaf is meestal een Pingjumer. Om de zevende stemming wordt een Witmarsumer gekozen.

In 1779 teistert een ‘Rode Loop’ (dysenterie) epidemie de provincie, waarover de Leeuwarder Saterdagse Courant schrijft:

“Te Harlingen –(8 km. ten NW van Pingjum) – heerscht zedert eenigen tyd eene roode loop, die met het vuur in de ingewanden verzeld gaat en zeer besmetlyk is; waar door veele menschen uit het leven gerukt worden.Althans daar er gewoonlyk in twee maanden tyds 50 menschen in die stad sterven, zyn er in de maanden argustus en september 453 personen ten grave gebragt. Ook zyn er in het dorp Arum -3½ km. NO van Pingjum- in drie weeken tyds, 50 dooden geweest. Men schryft deze roode loop toe aan het lage water, het welk men in die provincie, gedurende dezen zomer gehad heeft, waar door de gragten byna droog geweest zyn, en aan het eten van de visch, welke in dat bedorven water gestorven was. Zommige lieden uit Leeuwarden en Franeker, die by hunnen nabestaanden te Harlingen ter begravenis geweest zyn, schynen die ziekte derwaarts overgebragt te hebben, dewyl er te Leeuwarden drie menschen en te Franeker één aan die ziekte gestorven zyn.

De epidemie is een gevolg van slechte hygiëne. Vaak worden uitwerpselen geloosd op grachten en kanalen waaruit ook drinkwater wordt geput. In hete zomers verslechtert de kwaliteit van het water zienderogen. De rode loop begint met hoge koorts en buikkrampen (vuur in de darmen), gevolgd door waterige diarree.

Omstreeks 1780 is de laatste bewoner van het reeds genoemde Aggema-slot tussen Pingjum en Witmarsum Frans de Boer, die ijverig deelneemt aan de staatkundige ontwikkelingen van zijn tijd. Hij is als Patriot secretaris van de Batalions krijgsraad en adviseert in die kwaliteit, “dat het Batalion in Wonseradeel denkt te exerceren en manoeuvreren Zondag 14 Juli 1787, ’s namiddags 1 uur te Pingjum.” Na herstel van het prinselijk gezag kort daarna, tracht men hem in zijn eigen huis gevangen te nemen, doch hij ontvlucht over ’t bruggetje van de slotgracht, juist als zijn vijanden voor aan de poort staan. Hij ontwijkt naar Bremen, zijn vrouw en 8 kinderen volgen hem des winters in een huifkar. In 1791 wordt het slot ‘de Campen’ te koop aangeboden; in 1792 is er boelgoed van meubels, schilderijen, honingpers, padegge en schoffelploeg. Later keert De Boer terug naar de Grote Kampen, waar hij een houthandel drijft.

Als eind 1700 de revolutie een feit is, worden bij de ‘kalme’ revolutie van februari 1795 in Friesland overal vrijheidsbomen opgericht, bekroond met de jacobijnse vrijheidsmuts. Om deze vrijheidsbomen wordt gedanst en hier worden de terugkerende patriotten van 1787 toegesproken. 5 Het jacobijnse Pingjum staat in de voorhoede en plant de éérste vrijheidsboom in de grietenij Wonseradeel op 14 februari 1795, waarvan de volgende beschrijving:

Middags twee ure kwam het sedert 1787 gedesolveerde vrijcorps voor de eerste maal weer onder de wapens. (P. had een patriotisch vrijcorps, maar na de omwenteling door de komst der Pruisen in 1787 was deze gewapende organisatie ontbonden). Twintig jonge vrijsters, die in kleding als anderszins de heuglijke gebeurtenis opluisterden, volgden de Vrijheidshoed en de nationale vlag onder het geblaas en speelen der muzikanten naar de plaats waar de Vrijheidsboom geplant zou worden. Daar gekomen, trokken de vrijsters uit, vergezeld van een commando uit het gewapend corps, om de gecommiteerden (de voorlopige bestuurders) te halen, die onder speelend muziek den kring der gewapende mannen werden binnengeleid. In ronden kring om den boom geschaard, hield de burger M. Treslong, leeraar onder de voorstaanders der bejaarde doop (de doopsgezinde voorganger van Pingjum dus),een toespraak, die driemaal met een algemeen gejuich werd begroet, waarop burger J. Bakker een gepast vers voordroeg, wederom driemaal met gejuich begroet. Tenslotte had er een vroolijke dans der vrijsters (carmignole) plaats onder het spelen der muzikanten en het galmen der vrijheidsliederen. De vroolijkheid is met de grootste bedaardheid afgelopen.” 6

Op een prent anno 1789 van de kerk van Pingjum (zie afbeelding 11) is de torenspits verdwenen en vervangen door een zadeldaktoren. Het blijft gissen naar de oorzaak van deze metamorfose: als gevolg van een storm, bliksem, brand of gebrek aan geld/onderhoud?

afb. 11: kerk Pingjum1789
afb. 11: kerk Pingjum anno 1789

Voetnoten:

  1. Bakker van Popta, A., Pingjum vanaf het begin, 1988, pag. 25
  2. Brouwer, J.H. e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 167
  3. Harlinger Courant d.d. 8-10-1965, Vj 34, Pingjum: dorpje met ’n rijke geschiedenis
  4. Terpstra, P., Tweeduizend jaar geschiedenis van Friesland, pag. 222-227
  5. Brouwer, J.H. e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 668
  6. Bolswards Nieuwsblad dd 30-7-1954, Pingjumer Alef van Aggema tekende Verbond der Edelen, Frans de Boer secretaris van Wonseradeel, Carmignole rond de Vrijheidsboom;
    Algra, A., De historie gaat door het eigen dorp VI, 1960, pag. 146
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s