Tot 500 A.D.

De eerste vijf eeuwen na het begin van de jaartelling

Het dorp Pingjum ligt 8 kilometer ten zuidoosten van Harlingen. Vanuit Bolsward gezien ligt het op 2 uur loopafstand in noordwestelijke richting (zie afbeelding 1, uit: Brouwer, J.H. e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 699). 1 Het dorp ligt samen met de dorpen Arum, Witmarsum en Kimswerd in het uiterste noorden van de gemeente Súdwest-Fryslân (voorheen: gemeente Wûnseradiel) in een vruchtbare streek, die de ‘lytse bouhoeke’ wordt genoemd.

Ligging van Pingjum
afb. 1: Ligging van Pingjum

Ligging Pingjum (ingezoomd)
Afb. 1a: Ligging van Pingjum (ingezoomd)

Naast de naam Pingjum, komt men ook tegen: Pingium, Pingum of Pennigum, Peeninghum (zoals Menno Simons dat schrijft) en oudtijds Pijanghum. Het Fries is Penjum: een ‘um’-naam uit Penningaheem. De uitgang ‘um’ verwijst naar heem, het Friese ‘hiem’, en is in Friesland – waar tenminste 224 plaatsnamen met de ‘um’ uitgang zijn – wel vaker verbonden met een zeer oude en niet meer in levend gebruik zijnde persoonsnaam. 2

Pingjum kent, gelet op de aardewerkvondsten, bewoning vanaf het begin van onze jaartelling. 3 De nederzetting is gelegen op de zuidelijke kwelderrug van de Marneslenk, een zeearm van de Waddenzee, die zich van de Vliestroom in oostwaartse richting uitstrekt tot aan de Middelzee (zie afbeelding 2, uit: Brouwer, J.H. e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 77). 4 Er is beperkte akkerbouw mogelijk vanwege de grondstructuur (zavel) en de natuurlijke afwatering. Bovendien zijn de wadden en de kwelders een aantrekkelijk gebied om te exploiteren vanwege onder meer de vogelvangst, de visserij en de robbenjacht.

afb. 2: de Marneslenk

afb 2a: de Marneslenk (ingezoomd)

Een bron maakt melding van het feit dat:

“de terp van Pingjum waarschijnlijk dateert van vóór de jaartelling, getuige de vondst van een Romeins Mercuriusbeeld bij een terpafgraving in de 19e eeuw. Het Mercuriusbeeld “symboliseert indertijd de godheid van de dieven en kooplieden. Kooplieden en krijgers vormen eertijds de bestaansrechten van de Romeinen, de Friezen daarentegen bepalen zich in hoofdzaak tot de landbouw en veeteelt en oefenden de visserij doorgaans als nevenberoep uit. Door de toenemende wateroverlast is de terp echter nadien weer verlaten en vermoedelijk na de post-Romeinse transgressiefase weer in gebruik genomen” 5

zodat de permanente bewoning van het dorp als een agrarische nederzetting vanaf de 5e eeuw na Christus plaatsvindt en het dorp zich door regelmatige overstromingen kan ontwikkelen tot een terpdorp. 6 Deze stelling wordt bevestigd door een andere schrijver:

”Uit het gevondene blijkt, dat de terp vermoedelijk ca. het begin van de jaartelling werd verlaten en sedert de Middeleeuwen weer opnieuw bewoond was.” 7

Tufsteen wordt als bouwmateriaal spaarzaam pas vanaf de 11e eeuw gebruikt. Baksteen is eerst in de 12e of nog waarschijnlijker in de 13e eeuw geïntroduceerd: vandaar dat we in het eerste millennium uitsluitend gebouwen zullen tegenkomen met wanden van planken en palen, al dan niet met leem aangesmeerd vlechtwerk of van plaggen, bekroond door rieten daken. 8

De door opgravingen verkregen weinige huisplattegronden uit de tijd van na het begin van onze jaartelling doen vermoeden, dat de Friese huizen niet afwijken van het door opgravingen verkregen beeld elders. Karakteristiek is het lange woon/stalhuis, met in het woongedeelte een haard en soms een wand die het in twee kamers verdeelt. Veel boerderijen hebben drie deuren: twee tegenover elkaar in de lange wanden, op de grens van woon- en staldeel en één in de korte wand van het staldeel. Opslag vindt deels plaats in het woondeel, deels in bijgebouwen.

Voetnoten:

  1. Brouwer, J.H. e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 699
  2. Aa, A.J. v/d, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, pag. 187
    Brouwer, J.H. e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 524 en pag. 635
  3. Nws.bulletin kon.ned.oudheidk.bond 1961, afl. 2, archeol.nws 7759a pag. 123
  4. Brouwer, J.H. e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 77
  5. Harlinger Courant, dd 8-10-1965 Vj 34, Pingjum: dorpje met ’n rijke geschiedenis
  6. Monumentenzorg, rijksdienst van de, Pingjum beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeente Wûnseradiel, 1988
  7. Nws.bulletin kon.ned.oudheidk.bond 1960, afl.5, archeol.nws 7759a pag. 264, aardewerkvondsten in een kleine terp onder Pingjum
  8. Bos, Jurjen M., Archeologie van Friesland, 1955, pag. 113
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s